X
GO

Inleiding vrijeschoolonderwijs

Het Karel de Grote College is een vrijeschool, een school voor voortgezet onderwijs waar gewerkt wordt vanuit antroposofie. Dat wil zeggen dat men zich bewust wil worden wat "het mens-zijn" betekent. Antroposofie is ontwikkeld door de filosoof Rudolf Steiner (1861 - 1925), die heeft meegewerkt aan de oprichting van de eerste Nederlandse vrijeschool in 1923 te Den Haag.

We streven in de opvoeding naar een zo breed mogelijke ontwikkeling van menselijke vermogens. Dan gaat het zeker niet alleen om het verwerven van kennis, maar vooral ook om ontwikkeling van gevoel voor het sociale en het kunstzinnige en om het verkrijgen van ambachtelijke en technische vaardigheden. Hiermee wordt een stevige basis gelegd voor het latere leven en voor het functioneren in de maatschappij. We gaan ervan uit dat ieder met het leven een eigen bedoeling heeft en er innerlijk vrij naar wil streven om die waar te maken. Opvoeding moet daarbij ondersteunen. Dat vereist vakkennis natuurlijk, maar vooral ook inzicht in de verschillende levensfasen van de jonge mens en het vermogen om waar te nemen wat elk kind aan mogelijkheden in zich draagt. Vrijeschoolouders hoor je dan ook vaak zeggen: mijn kind wordt gezien!

 
Wat maakt de vrijeschool uniek?

In dit document van de Vereniging van vrijescholen in Nederland wordt dit nog eens op een overzichtelijke en leesbare manier verwoord. Het Karel de Grote College onderschrijft de inhoud van dit document.

Leeftijds- en ontwikkelingsfase

In de menselijke levensloop kunnen we ontwikkelings- en levensfasen onderscheiden. Opvoeding en onderwijs zijn daarop afgestemd. Schematisch zijn die perioden in te delen in perioden van telkens zeven jaar. De eerste fase is die van 0-7 jaar. De tweede die van 7- 14 jaar, de derde van 14 -21 jaar enz. In zijn algemeenheid brengen die fasen, of gevoelige perioden, bepaalde wetmatigheden, kwaliteiten en vermogens met zich mee, die een eigen aanpak vragen voor een optimale ontwikkeling. Elk individu en elke periode vragen daarbinnen om een eigen nuancering. In de periode van 0-7 jaar bijvoorbeeld wordt het kleine kind in de taal onderscheiden in baby, dreumes, peuter en kleuter. Tegenwoordig is men geneigd om aan deze algemene onderscheidingen geen aandacht te schenken, en zich te richten op louter individuele verschillen. Toch ervaren wij het als zinvol om in opvoeding en onderwijs niet alleen in te gaan op de grote individuele verscheidenheid, maar ook te blijven differentiëren op grond van leeftijd en ontwikkelingsfase. Het is om die reden dat wij spreken van een kleuterfase (leeftijd 4- tot 6-jarigen) die wordt gemarkeerd door "schoolrijpheid", van een onderbouw (7- tot 14-jarigen) en van een bovenbouw tussen "puberteit" en "volwassenheid" (14- tot 18-jarigen).

Opvoeden tot vrijheid

Door alle jaren heen wordt gestreefd naar evenwichtige ontwikkeling van het denken, van het gevoelsleven en van het wilsleven. Al naar gelang de ontwikkelingsfase zal de nadruk meer komen te liggen op de ontwikkeling van de motoriek (o.a. bewegingszin), de ontwikkeling van het gevoelsleven als basis voor het sociale en het kunstzinnige, en de ontwikkeling van een onbevangen denk- en oordeelsvermogen in de derde fase. Opvoeding en onderwijs moeten zo de basis leggen voor innerlijke vrijheid, verantwoordelijkheid en moraliteit. De pedagogische houding en de werkwijze worden in hoge mate bepaald door de mens- en ontwikkelingsvisie, zoals die is neergelegd in de antroposofie. Maar antroposofie is een inspiratiebron van volwassenen en we vinden het onjuist als dat aan leerlingen wordt overgedragen in de vorm van leerstof. Dat is een consequentie als je tot vrijheid wil opvoeden.

Pedagogie als kunst

Het woordje "vrij" in de naam vrijeschool slaat niet op het vrij laten van het kind. Er wordt mee bedoeld: de pedagogische visie in vrijheid kunnen realiseren en ontlenen aan wat bij de kinderen aan vragen wordt waargenomen. Centraal staat de persoonlijke ontwikkelingsweg van elk individueel kind. De ontplooiing van zijn sociale, kunstzinnige en ambachtelijke vermogens is daarin even belangrijk als de ontwikkeling van zijn intellectuele vermogen. De factoren "milieu waarin je opgroeit" en "erfelijkheid" spelen een rol in het leven van een kind. Maar de vrijeschoolleerkracht houdt vooral rekening met het kind zelf, dat niet gezien wordt als een "onbeschreven blad", maar als een mens met eigen talent, een eigen voorgeschiedenis en individualiteit. Pedagogie is de kunst van het herkennen wat kinderen aan verborgen strevingen met zich meebrengen en de kunst om een klimaat te scheppen waarin kinderen zich kunnen ontplooien. Daarom volgen en beschrijven de vrijescholen de prestaties en de ontwikkeling van elk afzonderlijk kind gedurende het hele schooltraject (basis- en voortgezet onderwijs).

 

Blijvende ontwikkeling als doel

Een kind komt op school om bepaalde dingen te leren, zodat hij later goed "toegerust" zijn plaats in de maatschappij kan vinden. Maar er valt niet precies te voorzien hoe die maatschappij eruit zal zien en om welke toepasbare kennis wordt gevraagd. Daarom leggen de vrijescholen veel nadruk op eigenschappen die voor de leerling van belang zijn om zich later blijvend te willen en te kunnen ontwikkelen. Het leerplan van de vrijeschool is zo opgebouwd dat alle vakken in hun onderlinge samenhang deze ontwikkeling ondersteunen. Intellectueel, creatief, ambachtelijk en sociaal wordt het kind uitgedaagd om zijn persoonlijkheid te ontplooien. Leerstof is daarbij altijd middel en ontwikkeling het doel.

De door de overheid vastgestelde kerndoelen voor basisschool en basisvorming worden daarom niet gehanteerd als einddoelen, maar als tussendoelen in het perspectief van het eigenlijke doel: de ontwikkeling van de leerling. Omdat het leerplan ontwikkelingspsychologische motieven volgt, wordt bewust uitgegaan van leer- en vertelstof die niet alleen wat de inhoud aangaat soms kan afwijken van wat elders gebruikelijk is, maar ook wat het tijdstip van aanbieden betreft: op een jon ger e of juist op een latere leeftijd.

 

Hoofd, hart en handen

Natuurlijk moeten kinderen leren rekenen en schrijven, omgaan met de computer, les krijgen in vreemde talen, in aardrijkskunde en geschiedenis, en kennis maken met vakken als wiskunde, scheikunde en biologie. Hiermee leggen ze een basis voor hun toegang tot hoger onderwijs en beroepsvoorbereiding. Daarnaast krijgen ze op de vrijescholen een omvangrijk aanbod aan kunstzinnig en ambachtelijk onderwijs. Vakken als schilderen, muziek, toneel, handenarbeid en euritmie (bewegingskunst) zijn niet alleen bedoeld om de creativiteit te stimuleren. Ze dragen ook bij aan een brede en evenwichtige persoonlijkheidsontwikkeling. Of, zoals het ook wel wordt genoemd, aan de ontwikkeling van hoofd (verstand), hart (gevoel) en handen (daad- en scheppingskracht).

Karel de Grote College

Een van de opvallende kenmerken van het Vrijeschoolonderwijs is dat een deel van de meer theoretisch gerichte vakken in zogenaamde periode-vorm (drieweekse projecten) wordt gegeven. Dit betekent dat de leerlingen drie weken lang gedurende de eerste twee lesuren van iedere schooldag intensief met een onderwerp (vak) bezig zijn. Gedurende de zes, vijf of vier leerjaren blijven de leerlingen zoveel als mogelijk en wenselijk bij hun leeftijdgenoten in hun eigen klas. Uiteenlopende talenten worden ervaren, waardoor de leerlingen met verschillende mogelijkheden en eigenschappen leren omgaan. Vanaf de 9e klas worden de leerlingen voor al het onderwijs in niveaugroepen geplaatst op grond van een indicatie van het (verwachte) niveau: vmbo-t (t/m klas 10), havo (t/m klas 11) en vwo (t/m klas 12).

De lesstof is een middel waaraan de jonge mens zich kan ontwikkelen. Niet alleen de exameneisen, maar vooral inzicht in de ontwikkeling van de mens bepalen het aanbod van vakken en vakinhouden. Dat heeft geleid tot opneming van vakken in het rooster die elders in het onderwijs niet of in geringe mate worden gegeven. Voorbeelden daarvan zijn: koorzang, euritmie: een bewegingskunst op gesproken woord en muziek (klas 7 t/m 10 en daarna als kunstspecialisatie), landmeten (klas 10), kunstgeschiedenis (klas 9, 10, 12), filosofie (klas 11), architectuur (klas 12), projectieve meetkunde (klas 11) en wiskundige geografie (klas 11).

Het Karel de Grote College biedt 3 afstudeervarianten (leertrajecten) aan.

  1. vmbo-t (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, theoretische leerweg)
  2. havo (hoger algemeen vormend onderwijs)
  3. vwo (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs)

Het Karel de Grote College mag en kan alleen de theoretische leerweg aanbieden. Dat komt rechtstreeks voort uit de examenlicentie die vrijescholen van de overheid hebben verkregen; het aanbod van alléén de theoretische leerweg heeft in beginsel niets met eigen keuzes te maken. Over alle leertrajecten zal op het moment, waarop dat nodig is, uitvoerige voorlichting gegeven worden op algemene ouderavonden. Hierin hebben onze decanen een belangrijke rol.

De vraag die door veel (aanstaande) ouders en leerlingen wordt gesteld gaat over de verblijfsduur op het Karel de Grote College. In het verleden was het min of meer vanzelfsprekend dat leerlingen tot het einde van de 12e klas vrijeschoolonderwijs volgden: ‘voor iedereen 12-jarig vrijeschoolonderwijs’. Noch dit uitgangspunt, noch het uitgangspunt dat leerlingen op grond van hun leertraject na een bepaald leerjaar zouden moeten uitstromen doet onzes inziens in deze tijd recht aan de ontwikkeling van de leerlingen. Daar willen we goed naar blijven kijken en een passend leertraject zoeken voor iedere leerling. Ook voor zogenaamde laatbloeiers moeten er mogelijkheden blijven om passend vrijeschoolonderwijs te volgen, mogelijk tot en met klas 12. Daarmee wordt: ‘voor iedereen 12-jarig vrijeschoolonderwijs’ tot: ‘voor iedereen vrijeschoolonderwijs op maat’ of ‘voor iedereen vrijeschoolonderwijs op niveau’!